U gebruikt een verouderde browser. Wij raden u aan een upgrade van uw browser uit te voeren naar de meest recente versie.

                          Welkom bij

Disclaimer / Spelregels

 

Al uw vragen over de site kunt u sturen aan

het bestuur HBS De Streekschutters

De Pijl


De pijl is uiteraard net zo belangrijk als de boog. Ook hier zijn vele facetten bepalend voor het doeltreffend raken van de target. Hieronder staat meest globale informatie. Voor gevorderde schutters is experimenteren met diverse materialen en onderdelen een manier om tot (nog) betere prestaties te komen.

1. Soorten pijlen

  • doelpijlen: pijlen met een minimum aan bevedering en een scherpe punt. Omdat je deze pijlen in reeksen schiet is het belangrijk dat ze dezelfde eigenschappen hebben zoals lengte, gewicht, hardheid en gelijkmatigheid
  • wippijlen: relatief zwaar met een grote bevedering en een bot uiteinde
  • jachtpijlen: grote scherpe punt met snijkanten, een grote bevedering en hoge slijtvastheid
  • flightpijlen: minimum aan gewicht en een zeer beperkte bevedering

2. Materiaal

  • hout: o.a. ceder, den, beuk, es, ahorn, enz.
  • riet: gebruikt door primitieve volkeren uit traditie en/of noodzaak
  • metaal: holle of volle pijlschachten uit verschillende legeringen van aluminium of staal
  • glasvezel: vezels gedrenkt in kunstharsen
  • plastic: diverse kunststoffen
  • carbon: in een mal gespoten
  • aluminium-carbon: composiet, getrokken aluminiumbuis waarna de koolstoflaag wordt aangebracht

3. De nock

De nock is gemaakt uit kunststof en zo gevormd dat de pees goed in de groef past. Door de variaties in peesdikte en pijldiameter zijn er diverse maten en soorten verkrijgbaar. Ook zijn er diverse kleuren voorhanden om ze nog fraaier bij de complete pijl te laten passen. Check altijd je nockpunten op defecten, een defecte nock kan je pijl een hele rare zwieper geven. Om deze reden zijn soms doorzichtige nocken interessant omdat daar een breuk of defect beter 
zichtbaar is. De pees moet altijd goed in de nock klikken.

4. De veren

Er worden 2 soorten veren gebruikt:

  • natuurveren: gemaakt van kalkoen- of ganzeveren
  • kunststof: harde of zachte veren


De bevedering heeft 2 redenen:

  • compenseren van het pijlevenwicht t.o.v. het gewicht van de punt
  • sturen en stabiliseren van de pijl tijdens de vlucht. Dit is afhankelijk van:
    1. grootte
    2. model
    3. aantal veren
    4. plaatsing


4a. grootte

Lange en lage zijn te verkiezen boven hoge en korte. Ze hebben minder weerstand en raken het boogvenster niet. Kunststofveren hebben het voordeel dat ze geen vocht opnemen en dat ze minder weerstand bieden doordat ze zo dun zijn. Natuurveren zijn lichter.

4b. model

Er zijn diverse modellen bij verschillende fabrikanten op de markt. De spin-wing is interessant voor de lange afstand. Nadeel is echter dat deze onderhoudsgevoeliger is.

4c. aantal veren

2, 3 of 4 stuks. 3 veren staan onder een hoek van 120° en de indexveer staat steeds haaks op de keepgroef. 4 veren staan onder een hoek van 75 en 110°. Het midden van de hoek van de hoek van 110° staat steeds haaks op de nockgroef.

4d. plaatsing

Evenwijdig met de lengte-as van de pijl, schuin of schroefvormig. Een rechtse kanteling geldt voor een linkse schutter, een linkse kanteling voor een rechtse schutter. Een schuine veer stabiliseert sneller maar heeft meer weerstand.

5. De schacht

De schacht van de pijl moet aan 4 criteria voldoen:

  1. rechtheid
  2. gewicht
  3. stijfheid
  4. lengte


Het groeperen kan slechts gerealiseerd worden wanneer deze vier criteria per reeks pijlen gelijk zijn en blijven.

5a. rechtheid

Check altijd de pijlen op rechtheid wanneer ze elkaar geraakt hebben. Dit is te controleren door de draaiproef. Het kan nooit kwaad de pijlen af en toe te controleren op gebreken.

5b. gewicht

Het gewicht moet zo laag mogelijk gehouden worden om zoveel mogelijk energie te kunnen omzetten in voortstuwing. Van belang is dat het gewicht van een reeks pijlen identiek is. Niet alleen het totale gewicht maar ook het zwaarte- of balanspunt moet van alle pijlen gelijk zijn. Dit heeft invloed op de aard van de pijlvlucht. Dit punt moet zich op ± 7 à 10 % voor het middelpunt van de pijl bevinden. Een zwaardere pijl heeft meer massa en blijft langer zijn snelheid volhouden, terwijl een lichtere pijl eerder wordt afgeremd maar ook vlugger het doel bereikt. Zijwind brengt een zwaardere pijl moeilijker uit zijn koers.

5c. stijfheid (spine)

De spine bepaalt het vertrek en de vlucht van de pijl en wordt als volgt gemeten: de pijlschacht wordt op twee steunpunten geplaatst die zich op een afstand van 1 inch van de uiteinden van de pijl bevinden. In het midden van de schacht wordt een gewicht van 2 lbs (907 gram) aangebracht. De veroorzaakte doorbuiging wordt gemeten en moet gelijk zijn over 360°. Over de trekkracht van de boog en de spinewaarde bestaan tabellen. Dit in combinatie met de juiste treklengte geeft de gepaste pijl.

5d. lengte

De lengte van de pijl wordt gemeten van de nockgroef tot aan het einde van de schacht. Deze lengte wordt voor elke schutter individueel bepaald. De beste methode is met de maatpijl. Dit is een pijl met indelingen in cm of inch. De schutter moet enkele keren aantrekken en het gemiddelde is de exacte treklengte. Voor de beginnende schutter is het beter een pijl te kiezen die langer is, want de treklengte kan nog iets veranderen naarmate je meer geoefend bent.


6. Pijl Keuze

Bepaal het werkelijke trekgewicht (aantal pond op de vingers) en de treklengte van je boog. Met deze gegevens kan je met behulp van de Easton pijlkeuzetabel een pijl uitzoeken. Zorg er voor dat het front of center (FOC) overeen komt met de richtlijnen voor die pijl (zie onderstaand schema voor berekening van de FOC). 

De FOC waarde is het belangrijkst op de lange afstanden. Op korte (indoor) afstanden is deze minder relevant.
De richtlijnen voor b.v. Easton pijlen zijn als volgt:

  • Aluminum Target pijl
  • A/C/C Target pijl
  • A/C/E Target pijl

7-9 %

9-11%
11-16%

 

Methode 1 (aanbevolen):

  1. Meet de lengte van de pijlschacht vanaf de inkeep van de nock tot het eind van de schacht,
    zonder de pijlpunt, deze afstand is "L".
  2. Zoek het balanspunt van de pijl (inclusief de punt, veren en de nock) en markeer het balanspunt.
  3. Meet de afstand van de inkeep van de nock tot het balanspunt, deze afstand is "B".


Methode 2:

  1. Deze methode meet de lengte van de pijlschacht vanaf de inkeep van de nock tot het eind van de schacht,
    inclusief pijlpunt. Deze afstand is "L".
FOC Calculator:
waarde L: waarde B: FOC = %

De Easton tabel is in theorie een goed uitgangspunt maar in de praktijk kan de pijl toch te stijf of te slap zijn. De Easton tabel zal vaak iets aan de stijve kant uitkomen. Dit verschil kan worden veroorzaakt door een verschil in dynamische en statische doorbuiging. De statische doorbuiging (die in de Easton tabel wordt gebruikt) wordt bepaald door een gewicht van 2 pound (907 gram) aan de schacht te hangen die op twee steuntjes ligt op 1 inch afstand van de pijluiteinden (zie onder). De dynamische doorbuiging wordt door vele andere factoren bepaald: manier van lossen, stabilisatie, nokspanning, gewicht van de punt, gewicht van de veertjes, hoever de pijl naar buiten staat, peesmassa, eventuele wraps, etc.

Bron de Eemschutters